vrijdag 20 juli 2012

Op Mars zijn mensen aliens 42

Inhoudsopgave
Hoofdstuk 6. Harry
Het begint nu urgent te worden. Ik weet niet hoe de wereld er over negen maanden uit ziet, en of ik dan nog van die wereld deel uitmaak. Maar ik moet met alles rekening houden, en zorgen dat ik op het ergste ben voorbereid. Ik moet dus zorgen dat er een vervanging is voor als ik er niet meer ben. En dat is heel wat moeilijker dan een vervanging maken voor Marit. Van Marit ken ik alleen de buitenkant. Hoe haar bewustzijn in elkaar zit, dat weet ik niet. Om Marit tot leven te brengen in de computer kan ik alleen uitgaan van uitwendige manifestaties, van wat ze zegt, van hoe ze het zegt en van hoe ze er uit ziet. Maar voor mij ligt dat een stuk ingewikkelder. Ik weet niet hoe anderen tegen mij aankijken, en van mezelf ken ik alleen de binnenkant. En die ken ik beter en intensiever dan iemand mij ooit van buitenaf zou kunnen kennen.
Mijn ik heeft twee kanten, een binnenkant en een buitenkant. Mijn binnenkant weet wie ik ben en wat ik voel, denk en wil. Mijn binnenkant weet wat ik wil, ook al doe ik het niet. Mijn binnenkant weet wat ik denk, ook al zeg ik het niet. Mijn binnenkant kent al mijn daden en misdaden, ook al zijn die nooit tot de buitenwereld doorgedrongen. Mijn binnenkant kent mijn angsten, mijn vreugdes, mijn verlangens, mijn remmingen, mijn kwaadheden en mijn liefdes. Mijn binnenkant weet ook dat ik er ooit niet meer zal zijn en is daar bang voor. Al die dingen moet ik vertalen in computerprocedures, in mechanismen. Maar om mezelf te vertalen in mechanismen heb ik een wetenschappelijke blik nodig. En de wetenschap is een wereld buiten de wereld. Ze bekijkt alles van de buitenkant.
Als je in een auto zit, dan is er alleen de beweging. Maar als die auto ermee stopt, dan moet je uitstappen en de motorkap open doen. Om mezelf in een mechanisme in te bouwen moet ik van buiten naar binnen gaan. Ik moet de juiste onderdelen zoeken, en bepalen hoe die op elkaar inwerken. En dan moet ik alle onderdelen bij elkaar voegen, en zorgen dat ze op de juiste manier samenwerken. Maar wat is de juiste manier? Als ik daar buiten sta dan zie ik geen gevoelens, gedachten en wensen. Ik zie alleen gedrag. Als ik mezelf wil kopiƫren dan moet ik gedrag kopiƫren. Ik moet zorgen dat mijn mechanische ik zich net zo gedraagt als ikzelf zou doen. Maar of dat mechaniek daarbij ook gevoelens, gedachten en wensen ervaart, net zoals ik ze ervaar, dat weet ik niet. Ik kan mijn kind leren "rood" te zeggen als ik het een rode lap voorhoud. Maar of hij dan ook het zelfde ziet als ik zie, dat weet ik niet, en dat kan ik ook niet weten. Ik weet meer van mijn binnenkant dan iemand, wie dan ook, waar dan ook, weet van mijn mijn buitenkant. Binnenkanten zijn veel complexer dan buitenkanten. En dat geldt ook voor buitenkanten die van binnenkanten zijn gemaakt.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten