donderdag 19 juli 2012

Op Mars zijn mensen aliens 41

Dat was gisteren. Vandaag zag ik uit mijn ooghoek iets donkers, die zich snel verplaatste. Toen ik mijn blik er op richtte, was er weer niets. Wel donkere vlekken, maar die maakten deel uit van het landschap. Het is die planeet, en dat landschap. Het is niet geconstrueerd, geen toneeldecor, maar echt, grillig, natuurlijk. En toch ontbreekt er iets. Een planeet met een atmosfeer, met zand, rotsen en met waterlopen zonder water, dat vraagt om leven. Dat levenloze, dat is voor ons mensen onvoorstelbaar. En omdat dat idee niet in ons hoofd past, gaan we er een invulling aan geven die wel past. We bevolken daarom de planeet met onzichtbare levende wezens. Dat is een hypothese, het klinkt aannemelijk, maar dat neemt niet weg dat dat afwezige toch heel aanwezig is. Het voelt niet als een bedenksel, het voelt als echt. Ze zijn er, die wezens. Je kunt ze alleen niet zien.
Mars is niet vertrouwd, en zal dat voor mij ook nooit worden. Misschien worden hier ooit kinderen geboren, die hier dan ook opgroeien. Die zullen dan wel met deze omgeving leren leven. Maar ik niet. Het enige vertrouwde is voor mij het interieur van mijn marsverblijf, hoe saai dat ook is. Misschien moet ik het toch eens gaan verlevendigen met wat prints en tekeningen.
Maar eigenlijk heb ik het hier wel gehad. Ik wil naar huis! Thuis, dat zal Mars nooit voor mij worden. Ik ben hier de eeuwige vreemdeling. Ik ben Ahasverus, de wandelende jood die nooit rust zal kennen. Ik ben veroordeeld voor een vergrijp waar ik geen deel aan heb, en die veroordeling is levenslang. De enige manier om die te beƫindigen is door zelfmoord. Maar hoe kan ik zelfmoord plegen, juist nu Marit er aan komt?

Geen opmerkingen:

Een reactie posten