Dat was gisteren. Vandaag zag ik
uit mijn ooghoek iets donkers, die zich snel verplaatste. Toen ik
mijn blik er op richtte, was er weer niets. Wel donkere vlekken, maar
die maakten deel uit van het landschap. Het is die planeet, en dat
landschap. Het is niet geconstrueerd, geen toneeldecor, maar echt,
grillig, natuurlijk. En toch ontbreekt er iets. Een planeet met een
atmosfeer, met zand, rotsen en met waterlopen zonder water, dat
vraagt om leven. Dat levenloze, dat is voor ons mensen
onvoorstelbaar. En omdat dat idee niet in ons hoofd past, gaan we er
een invulling aan geven die wel past. We bevolken daarom de planeet
met onzichtbare levende wezens. Dat is een hypothese, het klinkt
aannemelijk, maar dat neemt niet weg dat dat afwezige toch heel
aanwezig is. Het voelt niet als een bedenksel, het voelt als echt. Ze
zijn er, die wezens. Je kunt ze alleen niet zien.
Mars is niet vertrouwd, en zal dat
voor mij ook nooit worden. Misschien worden hier ooit kinderen
geboren, die hier dan ook opgroeien. Die zullen dan wel met deze
omgeving leren leven. Maar ik niet. Het enige vertrouwde is voor mij
het interieur van mijn marsverblijf, hoe saai dat ook is. Misschien
moet ik het toch eens gaan verlevendigen met wat prints en
tekeningen.
Maar eigenlijk heb ik het hier wel
gehad. Ik wil naar huis! Thuis, dat zal Mars nooit voor mij worden.
Ik ben hier de eeuwige vreemdeling. Ik ben Ahasverus, de wandelende
jood die nooit rust zal kennen. Ik ben veroordeeld voor een vergrijp
waar ik geen deel aan heb, en die veroordeling is levenslang. De
enige manier om die te beƫindigen is door zelfmoord. Maar hoe kan ik
zelfmoord plegen, juist nu Marit er aan komt?
Geen opmerkingen:
Een reactie posten